Allerzielen Was je maar bij me, de stad is zo kil. De nevelen...

Allerzielen Was je maar bij me, de stad is zo kil. De nevelen boven de grachten, het schuifelen tussen de gevels, de fietsers over het Smakkelaarsveld. We zijn met onnoemelijk velen en onze dagen zijn geteld. Ik lig in het zoveelste trapportaal en ril. Waar jij liep, hangt nu een leegte en in die leegte vat ik kou – en toch durf ik te wedden dat er een rustplaats is onder de sterren, een dak van licht voor jou.
Een vel papier met een gedicht ligt tussen gevallen bladeren.























